De druk op de gemeentelijke financiën
Om haar taken goed en naar behoren uit te kunnen voeren dient de gemeente over voldoende financiële middelen te kunnen beschikken. Immers, een gemeente is gelijk aan een heel groot gezin en meer geld uitgeven dan wordt ontvangen is ook voor een gemeente niet aan te raden. De sanctie op het te veel uitgeven van geld zal zijn dat de gemeente onder toezicht wordt geplaatst van de provinciale overheid en dat betekent dat de gemeente voor elke uitgave een feitelijke instemming moet hebben van de toezichthouder.
Dit toezicht wordt in de volksmond omschreven als “artikel 12 toezicht”.
Voor de inwoners van de gemeente is een dergelijke situatie niet prettig. De gemeente wordt ernstig beperkt in het doen van uitgaven, ook die uitgaven die strikt gezien als noodzakelijk kunnen worden omschreven en ervaren, zoals bijvoorbeeld het onderhoud aan de openbare ruimte, het doen van investeringen, het verstrekken van subsidies e.d.
Kortom, een “artikel 12 toezicht” raakt niet alleen het gemeentelijke apparaat, maar zeker ook de burgers!
In een lange reeks van achterliggende jaren hebben de gezamenlijke Nederlandse overheden steeds meer geld uitgegeven dan werd ontvangen. Het gevolg hiervan is dat onze staatsschuld ernstig is opgelopen met als consequentie dat de Nederlandse Staat geld moet lenen op de geldmarkt en daarover natuurlijk ook rente moet betalen. Het reduceren van onze schuld en dus het reduceren van onze tekorten op de staatsfinanciën is dan ook van groot belang.
Het huidige Kabinet (het “Kabinet Rutte”) moet nu van Europa onze tekorten gaan terugbrengen tot eerst 3% van ons nationale inkomen en vervolgens tot 0% in de jaren die nog komen. Het huidige tekort ligt op circa 4.5%. Het betreft hier vele miljarden euro’s die bezuinigd moeten gaan worden willen wij kunnen voldoen aan de eis van Europa.
Het Kabinet is van oordeel dat lagere overheden ook deels de schuld dragen voor de tekorten van de Staat. Deze redenering is overigens niet geheel onjuist, maar wel moet hierbij dan ook direct de vraag gesteld worden welke oorzaken hieraan ten grondslag liggen.
De landelijke overheid heeft de neiging om onder de noemer van “decentralisatie” allerlei taken vanuit de landelijke overheid neer te leggen bij de lagere overheden en dus ook bij de gemeenten. Deze lagere overheden krijgen hiervoor echter niet altijd de noodzakelijke financiële middelen. Met andere woorden, wij krijgen wel de taak, maar niet het benodigde geld!
De decentralisatie van taken is dan ook niet meer dan een ordinaire bezuiniging bij de landelijke overheid waarvoor de lagere overheden moeten betalen!
Gemeenten ontvangen hun inkomsten uit diverse bronnen. Deze zijn:
-
Een uitkering uit het gemeentefonds (= geld vanuit de rijksoverheid)
-
De eigen gemeentelijke belastingen en heffingen (OZB, rioolheffing, afvalheffing, leges e.d.)
-
Eventuele uitkeringen uit aandelen van bijvoorbeeld nutsbedrijven, waarvan de gemeente aandelen bezit (bijvoorbeeld Nuon e.d.)
-
Incidentele inkomsten uit bijvoorbeeld grondverkoop e.d.
Het gemeentefonds is de belangrijkste bron van inkomsten voor de gemeenten. De hoogte van de uitkering wordt landelijk bepaald en omvat naast gelden voor, zeg maar, algemeen gebruik ook gelden voor specifieke doelen (doeluitkeringen), waaronder als
voorbeeld de kosten voor de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) en andere sociale verplichtingen. Deze gelden moeten voor het bedoelde doel worden ingezet.
Een gemeente kan echter niet zeggen dat wanneer het door het Rijk beschikbare geld is opgebruikt er verder geen hulp/ondersteuning meer geboden zal worden. Het tekort op het budget zal dan moeten worden bijbetaald vanuit de Algemene Middelen van de gemeente en daar ontstaan er dan mogelijke problemen. Immers ook de gemeente kan het beschikbare geld maar één keer uitgeven!
Wil de gemeente nu voorkomen dat er toch meer geld wordt uitgegeven dan wordt ontvangen, dient ook de gemeente te gaan bezuinigen op haar uitgaven. Maar dit houdt wel risico’s in voor de toekomst.
Een bezuiniging op bijvoorbeeld onderhoud van wegen kan leiden tot slechtere en gevaarlijke wegen en trottoirs. Mensen kunnen in sommige gevallen de gemeente verantwoordelijk stellen voor de gevolgen van een ongeval. Maar ook zal achterstallig onderhoud uiteindelijk leiden tot hogere kosten later. Dit is derhalve “het paard achter de wagen spannen” en zal de gemeente op termijn voor hoge kosten kunnen plaatsen, terwijl de gemeente eigenlijk dat geld ook niet heeft!
Het extra verhogen van de gemeentelijke belastingen is mogelijk, maar zeker niet als gewenst te beschouwen. Immers, als gevolg van landelijk beleid om de uitgaven te beperken, is de landelijke overheid ook al snel geneigd om juist aan haar inkomstenkant meer geld binnen te halen. Er wordt dan niet bespaard, maar verhoogd!
Denk hierbij aan verhoging van de BTW, verhoging van de inkomstenbelasting, verhoging van accijnzen e.d.
Kortom, ook de portemonnee van de burger wordt geraakt vanuit de landelijke politiek en wanneer de gemeente daarnaast ook nog eens een greep doet in de buidel van de burger, dan zal die burger nog meer worden gedwongen tot het doen van lagere uitgaven met alle verdere consequenties voor onze economische ontwikkelingen van dien. Minder geld uitgeven betekent ondermeer minder omzet van de winkelier, hogere prijzen van producten en uiteindelijk een grote kans op een zgn. “armoedeval” waardoor mensen op andere hulp worden aangewezen en vaak opnieuw voor die hulpvraag bij de gemeente aan de deur moeten gaan kloppen.
In veel gemeenten wordt dan ook een greep gedaan in de Algemene Reserve van die gemeente. Deze Algemene Reserve is echter niet bedoeld om de gemeenten extra financieringsmiddelen te verschaffen. Deze reserve is wel bedoeld om de financiële risico’s van de gemeente op te kunnen vangen. Standaard is dat een gemeente 10% van haar begroting als reserve moet aanhouden.
Voor Wormerland met een begroting van in totaal 23 miljoen euro moet onze reserve dan ook op minimaal 2.3 miljoen euro worden gehandhaafd.
De aantasting van de reservepositie van de gemeente betekent dan ook niets minder dan dat de gemeente haar beschikbare gelden “verteert” en uiteindelijk in een situatie van “artikel 12” zal kunnen terecht komen, waardoor uiteindelijk de totale schuldenlast van de Nederlandse Staat zal oplopen in plaats van afnemen.
Kortom, de bezuinigingen van het Rijk richting gemeenten kan ernstige negatieve gevolgen krijgen en kan uiteindelijk de schuld van ons land vergroten.
Beter zou zijn wanneer het Rijk hervormingen gaat doorvoeren op grond waarvan meer efficiency en dus ook lagere kosten worden bereikt. Maar of ons Kabinet daartoe in staat is??? Wij zullen dat moeten afwachten en maar het beste van hopen.
Nu is de druk op de gemeentelijke financiën gewoonweg te hoog en dat kan alleen maar leiden tot narigheid en verkeerde beslissingen. Gelukkig is de financiële positie van onze gemeente nog steeds redelijk gezond en wij zullen als gemeentebestuur (raad en
college) er alles aan moeten blijven doen om die positie te handhaven. Dat is uiteindelijk ook in het belang van onze inwoners en onze middenstand en daar doen wij het toch ook voor, niet waar!
Ronald Hendriks
Wethouder
Wormerland, 19 april 2012